Ge@#&#%#$%& uit een benedenkooi

Begin jaren 30 begon mijn opa Dirk Raat, toen hij al enige jaren op de grote vaart werkte, aan een dagboek. Onderdeel ervan was het begin van een vervolgverhaal, “gekanker uit een benedenkooi” geheten. Het dagboek met tekeningen, geschreven toen opa net achttien jaar oud was, geeft een beeld van het leven van een gewone zeeman op een van de KNSM-schepen, het vracht-passagiersschip Nickerie (de naam komt van het district met dezelfde naam in Suriname).

“Als je havermout eet, moetje eerst flink zoeken en visschen om de beestjes eruit te halen, meest kleine zwarte torretjes, maar toch soms ook wel een dikke vette maai. Die zijn erg moeilijk te vinden, want ze zijn wit en loopen niet in de gaten, zoodat je ze meestal wel doorslikt. Och ja, wat niet weet, wat niet deert. En ’t is gezond, zeggen ze. Maar toch zijn er verscheidenen aan boord die last met hun maag hebben.”

Dirk Raat als korporaal-vlieger bij de Marine Luchtvaardienst. Ontslagen wegens SDAP-lidmaatschap

Uit het met potlood geschreven dagboek:

1931. 3e reis a/b S.S. Nickerie, K.N.S.M. Vrijdag hebben we gemonsterd voor de reis Amsterdam – West-Indie – New York en over West-Indië terug naar Amsterdam met een nieuwe kapitein. Ik had tien gulden opslag aangevraagd en heb vijf gulden gekregen. Toch mooi. Ik verdien nu dertig gulden in de maand. Eigenlijk moesten we al op zondag aan boord zijn, maar dat heeft geen nut, dus Toon en ik besloten om maar te spijbelen. De vorige keer is dat ook goed gegaan. Maandagochtend om kwart over zes ben ik van huis gegaan. Met de electrische naar Mokum. Om twaalf uur zijn we vertrokken. In ’t Noordzeekanaal hebben we de boot zeeklaar gemaakt. Om ongeveer twee uur lagen we in de sluis. ’K heb nog een ansichtkaart aan de loods gegeven om te posten. Het was prachtig weer en een Oostelijke wind. De zee was spiegelglad. In de verte zag ik de vuurtoren van Egmond, ja zelfs de Schoorlsche duinen. Toch altijd weer een raar gevoel, zoo’n afscheid.

Ik had m’n boeltje vandaag gauw op stel, maar ’t is toch nog een beetje onwennig aan boord. Er zijn een paar oude bekenden, maar ook een paar nieuwe. We zijn hier met negen man in ’t foxhol. Lampie, Kantoor, Pais, Duijkers, De Heijer, Larsen, Jantje Blauw, Toon en ik. De boots is nog dezelfde als de vorige keren, Visser. Hij en de stuurman slapen 3e klas, want we hebben kruit aan boord. Kennelijk verwachten ze een tweede wereldoorlog daar in Suriname. ’K hoor net van Lanen dat onze nieuwe kapitein een baron is. Niet eens helemaal een echte, heb ik gehoord. Zijn broer is de erfgenaam van het kasteel en alle kunstschatten en deze moet ook maar zelf zijn geld verdienen. Echt sneu, zoo’n ridder zonder paard. Ik ben benieuwd wat dat heer voor kapitein is. De vorige was ook al niet veel soeps.

Ik zal nu eens beschrijven hoe wij hier leven op de Nickerie, het prachtige passagiersschip van de K.N.S.M. Hoe verder je naar de punt loopt, hoe geweldiger het wordt. Je begrijpt ’t al: daar zitten wij. Van buitenaf komen we in een nauw gangetje. Nog een paar stappen, dan linksaf en we staan in ons verblijf, ’t matrozenverblijf, in de gangbare scheepstaal “het foxhol” genoemd. De naam is niet slecht gekozen. Meer dan een hol is het niet. Daglicht dringt er door de vier patrijspoorten zoo goed als niet binnen. Het zijn poorten waar je hoofd niet eens door kan, zoodat we altijd kunstlicht moeten gebruiken. ’t Verblijf is enkele vierkante meters groot, ’t keukentje bij ons thuis is ruimer. In deze ruime woongelegenheid huist negen man. ’t Hok is tegelijk eet-, slaap- en conversatieplaats. De matrozen die wacht te kooi hebben, kunnen dus meestal met hun reukorganen te gast gaan aan de geur van bruine bonen met spekvet of andere lekkernijen die met schafttijd op de baktafel staan te dampen. In de tropen, als ’t flink heet is, is ’t natuurlijk een dubbel genot. De gesprekken, die nu juist niet altijd fluisterend gevoerd worden, worden door de menschen, vooral door hen die niet al te vast slapen, ook zeer gewaardeerd.

Tekening van Dirk Raat

De kooien zijn langs de scheepswand opgeslagen, tweehoog. ’K lig in een benedenkooi. Ik heb wel eens geprobeerd om rechtop in m’n kooi te gaan zitten, maar ’t gaat niet. Bijzonder lang ben ik niet en m’n stroozak is ook niet zoo dik, want ik gebruik ’m al een halfjaar ruim. De lengte hoeven we ook niet over te klagen, want ’t gebeurt wel dat m’n voorbuurman met z’n voeten op mijn kopkussen ligt, terwijl hij toch normaal in zijn kooi ligt. Als m’n bovenbuurman gaat slapen, stapt ie met z’n zweetkakkies op m’n kooirand en tjoemt in z’n pietebak, maar als ik slaap ruik ik er niks van, al lig ik bijna met m’n neus erop. Alles went en we moeten niet zo krap kijken. Langs onze kooien staan de banken. Reuze practisch, ik gooi m’n beenen over de kooi en ik zit op de bank. ’t Gebeurt ook wel eens dat ik slapende, in m’n onschuld, met m’n hoofd tegen iemand z’n zitvlak op lig, maar als we die dag geen boonen of uien hebben gegeten, heb ik daar absoluut geen hinder van. De baktafel is ’t pronkstuk van ons verblijf. De grootte van deze tafel bedraagt nauwelijks 1 m2, zeg een vierkante meter, voor negen man. De tafel is van wit geschuurd hout, soms tenminste er zijn ook wel eens dagen dat ie geel en vettig is. Vier pullen met eten kunnen erop staan, plus de flesch azijn en de peperstrooier. Een stuk brood kan er ook nog bij. Dus de tafel voldoet.

Aan tafel schaften is overbodige luxe, dus ieder zit met z’n pannetje op de knieën. De twee banken langs de kooien bieden zitplaats aan zes, hoogstens zeven man. Dus als ’t schaften is voor “alle hens” zijn er altijd twee gelukkigen die op een omgekeerde emmer kunnen gaan zitten. Twee man tegelijk kunnen zich aan tafel bedienen, zoo er ongeveer een kwartiertje verloopt eer de laatste man z’n “diner” kan bereiken. Vlak naast m’n kooi staat dus een bank en eventjes daarboven verheft zich de baktafel. Als ik op m’n stroozak lig, kan ik met m’n hand net over het midden komen. Het gangetje dat tusschen kooi en tafel, via “over de bank” loopt en naar de voorste twee kooien en de kastjes voert, is dus zeer smal.

’t Eten aan boord is deze reis ook niet slecht. Vanmorgen kregen we havermout. Als je havermout eet, moetje eerst flink zoeken en visschen om de beestjes eruit te halen, meest kleine zwarte torretjes, maar toch soms ook wel een dikke vette maai. Die zijn erg moeilijk te vinden, want ze zijn wit en loopen niet in de gaten, zoodat je ze meestal wel doorslikt. Och ja, wat niet weet, wat niet deert. En ’t is gezond, zeggen ze. Maar toch zijn er verscheidenen aan boord die last met hun maag hebben.

’t Gebeurt ook wel eens dat er eenige ratten- of muizenkeutels in de pap ronddrijven, natuurlijk behoorlijk uitgekookt, maar afijn, we zitten aan boord van een schip. ’s-Middags krijgen we meestal aardappelen, groente en vleesch. Van de aardappelen valt niet veel te vertellen, behalve dat ze hard en ongenietbaar zijn. Ze zijn alleen te eten als je er een prakkie van maakt en diegene die heel slecht stuk wil, want je hebt er taaie onder, die gooi je er dan uit.

Er zit werkelijk een pikante smaak aan onze aardappelen; ik hoorde vanmiddag een De Heijer beweren “Ze smaken net als wonderolie.” We hadden er allemaal al over geprakkiseerd waar de smaak op geleek, maar geen bevredigend antwoord gevonden. Maar hij had de juiste term te pakken, wonderolie, eindelijk. Wat ’t wierookvat is in de Roomsche kerk, is de kerrie-emmer voor ons. De kerrie-emmer is de emmer waar etensafval in is opgeborgen, en waarin gespogen wordt. Ze staat aan het einde van het gangetje, vlak voor onze deur, die natuurlijk altijd open staat, even voorbij de deur van de stokershut. De emmer wordt van tijd tot tijd geleegd en soms schoongemaakt, maar de geur blijft onveranderlijk de neus streelen.

We hebben ook een “kast,” waar we ons goed en onze eigendommen in op kunnen bergen, kleeren, suiker, een blikje melk, zeep, enz. De kastjes zijn goed, en wat de ruimte betreft hoeven we niet te klagen, want dat geeft toch niet. De hoogte bedraagt ongeveer een halve meter, lengte en de breedte zooiets als 35 cm. Op de halve hoogte is een bordje, zoodat de bergplaats toch nog twee verdiepingen heeft. Ik heb gelukkig een bovenkastje, ’t

staat bovenop twee andere, en als ik er iets uit of in wil doen, moet ik op een bank gaan staan. ’t Benedenste kastje is voor ’t etensgerei. Boven de bakstafel zijn ook twee kastjes. Alsje van het benedenste de deur opendoet, kun je er zonder moeite een pul met eten in schuiven.

De matrozen en ik hebben natuurlijk een “pak” meegenomen, om een beetje gekloft tevoorschijn te komen als we de wal eens opgaan. Toen ik hier aan boord kwam, zocht ik eerst eens naar de klerenkast, om m’n beste spullen in op te hangen. ’t Was noodeloze moeite, want zooiets bestond er aan boord van dit passagiersschip niet. De pakjes werden hier en daar tegen een kooi opgehangen met een ouwe jas eroverheen. Ik, de gelukkige bezitter van een onderkooi, heb m’n kloffie maar in een lege koffer gepakt die ik op de rand van m’n kooi langs de scheepswand kon zetten, want iemand in een bovenkooi heeft liever geen twee pakkies boven zijn hoofd zwaaien. Toen ’t weer niet al te best was, stond er een flinke laag schimmel op, want de patrijspoort boven de koffer was niet helemaal dicht zoodat ’t water langs de wand siepelde en de boel vochtig was geworden. Gelukkig liggen de kooien niet vlak tegen de wand op, zoodat die droogbleven.

Onze badkamer is een paar vierkante meters groot en is voor matrozen en stokers tezamen. Een man heeft ruimte genoeg om zich te “baden” met z’n emmer. Met z’n tweeën gaat het net nog, maar dan geniet de een mee van z’n maat’s waschwater dat van de baddoek afzwiept. Er is ook nog een zoutwaterdouche aangebracht, maar die is kapot en water komt er nooit uit, al zou je de kraan er af draaien. Als ’t slecht weer is en er komt veel water over de bak (de bak is het voorste gedeelte van het schip, en meestal de verblijfplaats van matrozen en stokers), dan zijn de waterplaats en de w.c. bijna niet bereikbaar zonder een nat pak op te loopen. De w.c. gaat nog, omdat dat een soort ingebouwde kast is. Alsje een beetje vlug bent, en ’t loopt wat mee, is die nog te bereiken zonder een nat pak en als je er eenmaal in bent, dan zit je veilig op droog. Maar met de waterplaats is dat niet het geval, die is wel gedeeltelijk overdekt, maar dat geeft niet veel. Er schiet dus niet veel anders over dan in een hoek van ’t waschhok, voor ’t spuigat je behoefte te doen. Dan zijn waschhok en urinoir een en ’t zelfde ding. De combinatie is niet slecht.

Naast onze deur is een ingebouwde trap, die naar boven op de bak leidt en naar de loopbrug. De loopbrug leidt van de bak, over de kuil naar de midscheeps. De kuil wordt alleen gebruikt op ’t laatste traject van de thuisreis, als we de oceaan oversteken. ’t Schip is dan meestal diepgeladen en we hebben de passaat tegen, zoodat de kuil onbegaanbaar is, vooral als er ook nog een deklast in is, wat meestal ’t geval is.

Op dat laatste traject zitten we nog een dag of veertien in de tropen. In die veertien dagen zit je ongeveer potdicht afgesloten van de buitenwereld. De eenige verbinding met de open lucht is de deur. Buiten is ’t warm, In de logiezen is ’t om te stikken. Negen man bivakkeeren in die kleine ruimte, rooken er, eten en slapen er. De ventilatie is absoluut onvoldoende want ’t zeewater stroomt en stuift over ons verblijf zoodat luchtkokers afgesloten en de patrijspoorten geblindeerd moeten worden. Alleen de deur blijft open. Voor Jan de matroos en de stoker moet dat maar voldoende zijn. Een electrische fan zou gemakkelijk genoeg aangebracht kunnen worden. De onderhoudskosten en stroomverbruik zijn heel gering, maar ’t zal wel een luchtkasteel blijven op deze oude kast…

Tekening van Dirk Raat (Raadhuis)